maandag 24 mei 2010

Essay: De cirkel is rond

Jaren en jaren geleden bestond de term muziekonderwijs nog niet. Of misschien bestond er wel zo iets als muziekonderwijs, maar dan was het er niet voor het gewone volk, als wel voor de elite. De basis voor het muziekonderwijs dat wij nu kennis ligt echter bij twee Nederlandse muziekpedagogen, genaamd Willem Gehrels en Ad Heerkens. Zij vonden muziek uitermate belangrijk in de opvoeding van kinderen, vandaar dat eerstgenoemde de volksmuziekschool oprichtte, waar ook de armere kinderen muziekles konden volgen. Toch waren er verschillen tussen de twee. Aanhangers van Gehrels zijn meer van het uitoefenen van de muziek. Volgers van Heerkens vonden de vrije expressie vanuit het kind belangrijker. In die tijd gingen die twee dingen niet samen. Er was een scheiding tussen kunde en kick. Toch was er ook een overeenkomst, want beiden hielden ze zich bezig met kennis. Kennis van muziek. Toch werden hier de fundamenten gelegd voor ons huidige muziekonderwijs.

In de loop van de tijd kwam er kritiek op het muziekonderwijs. Volgens kenners was het muziekonderwijs in een vicieuze cirkel beland. Op middelbare scholen werd dermate slecht muziekonderwijs gegeven, dat toekomstige pabo-studenten een enorme muzikale achterstand hadden. Zij konden zelf niet voldoende bijgeschoold worden om muziekles te geven. Dat is de reden dat op basisscholen weinig aan muziek werd gedaan, waardoor die leerlingen ook weer met een achterstand naar het voortgezet onderwijs gingen. Zo is het cirkeltje weer rond.

Het probleem van muziekeducatie blijft gelukkig niet onopgemerkt. Begin jaren ’70 komt er een storm van vernieuwingen op gang: muziek als eindexamenvak, grafische notatie, de opkomst van popmuziek, muziek als maatschappelijk verschijnsel, muziek en andere expressievormen zijn slechts de belangrijkste veranderingen. Er kwamen steeds meer bevoegde muziekdocenten in het voortgezet onderwijs, maar in het basisonderwijs bleef het muziekvak belabberd slecht en de vicieuze cirkel bleef bestaan.

Pas in de jaren ’80 en ’90 vinden er spannende ontwikkelingen plaats. Er werd namelijk gigantisch bezuinigd. Wij denken tegenwoordig dat dat iets van deze tijd is, maar zelfs toen werden de leuke dingen al om zeep geholpen. Wel wordt muziek eindelijk een gewoon eindexamenvak en popmuziek krijgt een serieuze plek op de schoolmuziekopleidingen.

In 1993 wordt de basisvorming ingevoerd. Dat betekende een vernieuwing van de eerste leerjaren in het voortgezet onderwijs. Men wilde de kwaliteit van het onderwijs verbeteren, de studie- en beroepskeuze uitstellen en het onderwijsprogramma harmoniseren en verbreden. Dit had ten gevolg dat alle scholen hetzelfde vakkenpakket aanboden, met dezelfde programma’s en gebaseerd op dezelfde kerndoelen. Dit moest leerlingen structuur en gelijke kansen geven. Het was een roerige tijd voor middelbare scholen, want naast het invoeren van de basisvorming, waar veel onzekerheid over bestond, hadden scholen te maken met bestuurlijke ontwikkelingen en fusies. Ook die vergden veel tijd, geld en energie. De basisvorming is eigenlijk een resultaat van de eerder ingevoerde Mammoetwet. Voor de Mammoetwet moesten leerlingen al heel vroeg kiezen welke vorm van voortgezet onderwijs zij gingen vormen. Er bestond toen ook een duidelijke scheiding tussen de verschillende onderwijsniveaus. Door de Mammoetwet werd elke vorm van onderwijs toegankelijk voor iedere leerling. Allerlei andere maatregelen, zoals het afschaffen van de driejarige mavo, de uitbreiding van de leerplicht en de ontwikkeling van scholengemeenschappen waren voorboden van de uiteindelijke basisvorming.

Na de millenniumwisseling durft staatssecretaris Karin Adelmund als eerste sociaal-democraat openlijk tegen de idealen van de basisvorming in te gaan. Samen met de onderwijsraad wil ze de basisvorming opnieuw inrichten. Het ideaal dat alle onderbouwleerlingen hetzelfde onderwijs aankunnen wordt hiermee dus overboord gegooid. Er zou nu een verdeling moeten komen van drie niveaus: het vbo, de mavo en havo/vwo. Het aantal verplichte vakken zou moeten worden teruggebracht van vijftien naar acht. Door deze verandering zouden leerlingen het beroepsonderwijs meer ruimte krijgen voor praktijkvakken. Eén gemeenschappelijk niveau voor alle leerlingen, het streven van de basisvorming, bleek dus onhaalbaar. Het gegeven dat alle leerlingen wel het zelfde onderwijs aan zouden kunnen is idealisme waar ieder verschil tussen mensen is vervaagd. Onderwijsvernieuwingen waren ook reacties op veranderingen in de economie.

Eerder, in 1998, werd ook de tweede fase in de bovenbouw van havo en vwo ingevoerd. Dit was een poging om de scheefgroei in het onderwijs te herstellen. Er zaten namelijk heel veel leerlingen op de verkeerde plaats. Het oorspronkelijke doel van de tweede fase was om het eindexamenprogramma zwaarder te maken. Dat betekende een inhoudelijke verbreding (meer wiskunde, geschiedenis en algemene natuurwetenschappen) en een andere manier van lesgeven. We hebben er allemaal ingezeten: het Studiehuis. Dat betekende veel zelfstandig werken en heel veel werkstukken. Het havo en vwo zaten zo vol dat dat ze dachten dat door de onderwijsverzwaring minder leerlingen naar die niveaus zou gaan. Leerlingen die daardoor niet naar havo en vwo gingen moesten ergens anders heen. Destijds gingen kinderen ook steeds minder vaak naar het voorbereidend beroepsonderwijs. Het antwoord was de invoering van het vmbo: het samengaan van mavo en vbo. Leerlingen in speciaal onderwijs moesten hierdoor integreren in het normale onderwijs. Een ander doel was een tweedeling te scheppen tussen vmbo enerzijds en havo/vwo anderzijds. Dat moest de status van het beroepsonderwijs verhogen. Een tweedeling leek beter dan de zogenaamde vierdeling die er eerst was.

Maria van der Hoeven, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen 2002 tot 2007, heeft later autonomie gegeven aan scholen, zonder grenzen te stellen. De zeggenschap over het onderwijs is de laatste jaren weggegeven aan schoolbesturen. Scholen kregen hierdoor meer vrijheid om hun programma zelf in te vullen, maar tegelijkertijd raakte het programma landelijk gezien steeds meer verdeeld. Dit is ook te merken aan het muziekonderwijs op middelbare scholen. Het vak muziek maakt nog steeds verplicht deel uit van de basisvorming, maar sommige scholen hebben cultuurvakken hoog op de prioriteitenlijst, terwijl andere scholen het vak helemaal laten verslappen. Terwijl het ideaal van de basisvorming nog steeds is om leerlingen op een bepaald niveau les te geven, heeft de vrijheid die scholen hebben om zelf hun programma’s in te vullen juist gezorgd dat niveauverschillen groter zijn geworden, ook in het muziekonderwijs.

Op basisscholen is het muziekonderwijs nog steeds matig, omdat veel pabo-studenten van tegenwoordig nog steeds geen muziek aanbieden en het aanstellen van een vakleerkracht voor scholen vaak net te veel gevraagd is. In het voortgezet onderwijs zijn wel veel bekwame docenten te vinden, maar door het verknipte muziekonderwijs op basisscholen is het niveauverschil in de brugklas nog steeds erg groot.

Daarnaast woedt de discussie over het studiehuis, de tweede fase, de basisvorming nog steeds en zullen we moeten afwachten wat voor veranderingen de politiek nog meer in petto heeft voor het onderwijs en in het bijzonder het muziekonderwijs. Het enige wat we kunnen doen als toekomstig muziekdocenten, is strijden voor het belang van het muziekvak. Want dat het vak muziek belangrijk is, is een ding dat zeker is. Niet alleen draagt het bij aan de sociale en muzikale vaardigheden van leerlingen, ook is het goed voor de fijne motoriek, groepswerk, het overwinnen van presentatieangst en nog vele andere zaken.

Naar mijn mening moet muziek gehandhaafd blijven op het voortgezet onderwijs. Het moet verplicht blijven in de basisvorming. Daarna moet er de mogelijkheid zijn voor leerlingen om te kiezen. Zo kun je er voor zorgen dat in de basisvorming iedereen (het woord zegt het al) de basis krijgt. Later krijg je de gemotiveerde leerlingen in de bovenbouw en kun je dieper ingaan op en uitbreiden van muzikale kennis en vaardigheden.

Hoe dan ook zullen we af moeten wachten wat de politiek ons de komende jaren nog aan onderwijsvernieuwingen gaat voorschotelen. Tot die tijd moeten we ons sterk blijven maken voor het muziekvak.

zaterdag 22 mei 2010

A Musical Joke...

Oftewel een muzikale grap. Dat is hoe kinderen en jongeren denken over klassieke muziek, muziek voor nerds en meisjes met bloemenjurken. Muziek voor mensen die totaal níet cool zijn. Muziek om gewoon te vergeten en geen aandacht aan te schenken. Muziek waarvan geen cd te vinden is in een reguliere jongerenslaapkamer en al zeker niet op hun peperdure i-pods. Die zijn eerder voorbestemd voor harde, dreunende hardcore. Je kent het wel. Je zit in de bus en ergens achterin zit een jongen, jaar of 15, broek hangt halverwege zijn knieën, petje op en i-pod aan. Zelf zit je ergens voorin, maar je kunt precies horen wat voor muziek achterin de bus de oren van die jongen verknalt. Om dan nog maar niet eens te beginnen over de trein…
Wellicht zijn er ergens nog wel kinderen die klassieke muziek mooi vinden. Als dat zo is, dan komen ze er zeker niet voor uit. Als dat zo is, dan vinden ze het misschien alleen mooi voor een paar minuten, want daarna wordt het saai. Of schijnt er misschien toch nog ergens een lichtje die de belabberde positie van klassieke muziek bij jongeren zal doen stijgen?

Wel eens gehoord van Muziekcentrum voor de Omroep? Nee? Even een korte omschrijving: Het MCO bevat drie orkesten, een koor en een afdeling educatie die samenwerkt met scholen. Samen proberen zij klassieke muziek aan te bieden in educatieve en interactieve vorm bij kinderen en jongeren. En raad eens: het valt in de smaak! Bij kinderen misschien meer als bij jongeren, maar een reactie als ‘nooit gedacht dat klassieke muziek zo leuk kon zijn’ hoor je niet snel!

Ik ben van mening dat het dus best mogelijk is om klassieke muziek aantrekkelijker te maken voor kinderen. En dan zeg ik expres kinderen, want bij jongeren weet ik het zo net nog niet. Misschien prikkel je ze wel met dat soort projecten en zullen ze het jaren later wel gaan waarderen, maar nu zullen ze niet massaal naar de schouwburg gaan om daar een uitvoering van L’après midi d’une faune te bekijken. Daarentegen zou je kinderen wel kunnen prikkelen en ze enthousiast kunnen maken voor klassieke muziek.
Desalniettemin ben ik bang dat de komende jaren de I-pods nog steeds vol zullen staan met hardcore, hardstyle en al die andere vreemde soorten dreunmuziek. Voor jongeren blijft klassieke muziek tot vandaag de dag simpelweg gewoon a musical joke.

____________________________________________________________
Deze column is geschreven door Marleen Spierings in het kader van de VO-stage.
De onderliggende stelling luidt: 'Klassieke muziek zal nooit echt bij kinderen en jongeren in de smaak vallen.'
Gebruikte artikelen bij de column:
* 'Muziek moet je doen' - Tettje Halbertsma (Akkoord Magazine, Feb/Maart 2010)
* 'Zwei Herzen in Drievierteltakt' - Barend Wijtman (M&O, 2000-5)

dinsdag 27 april 2010

Zomaar even...

Vorige week bij de stagereflectie hadden we het over sterke kanten van jezelf die je kunt inzetten bij het les geven. Ik had eerlijk gezegd nog nooit over sterke kanten van mezelf nagedacht, omdat ik een regelrechte doemdenker ben, wat dus een slechte eigenschap is. Als ik ergens op terug kijk, dan zie ik alle dingen die mis gingen, alle dingen die ik niet kon waarmaken en alle dingen waarover ik ooit al onzeker was, die nu alleen maar nog eens werden bevestigd.
Gelukkig heeft de stagereflectie mijn oogjes een klein beetje geopend. Ik ben eens gaan bedenken waar ik nu eigenlijk bang voor ben. En ben tot de conclusie gekomen dat ik helemaal niet bang hoef te zijn. Ik zit toch niet voor niets op de opleiding Docent Muziek? Ergens moet dus een soort potentie zitten. Ik moet die misschien alleen nog gedeeltelijk vinden.
Nu ben ik er toevallig achter gekomen dat ik helemaal niet zo zenuwachtig ben voor de stage. En dat terwijl ik morgen een les helemaal alleen moet geven en de stagebegeleider komt kijken. Gek he? Maar ik weet hoe het komt. We gaan namelijk zingen morgen en zingen vind ik leuk en misschien ben ik er zelfs een beetje goed in. Of althans, voor die kinderen vind ik dat ik er goed in ben. ;) Dus zingen zou ik een sterke kant kunnen noemen.
Ik heb mezelf dus maar voorgenomen om te gaan proberen al mijn sterke kanten ook uit te lichten in mijn reflecties. En dat geldt niet alleen voor stage. Het geldt ook voor mijzelf buiten de opleiding, op een bijbaantje, waar dan ook. :) Van doemdenken komt stress, en die heb ik niet nodig.

Pfoe, nu wordt het wel een heel serieuze blog maar ach, die moeten er soms ook zijn! Ik denk dat ik me nog maar even ga voorbereiden op morgen. Donderdag nog een dagje reflecteren op die absoluut fantastische les die ik morgen ga geven. Niet meer doemdenken!
En dan lekker vakantie! :D

Liefs
Marleen

donderdag 25 maart 2010

Casus, met klassieke fouten!

Ja, eindelijk kan ik dan eens een goede casus neerzetten! Eentje die ik gisteren namelijk zelf heb meegemaakt... Eigenlijk was het meteen op het moment dat het gebeurde een goede les, iets wat ik mee kan nemen voor de rest van mijn nog gammele docentenbestaan.

Romy en ik geven samen les op een middelbare school in Tiel. Vorige week hebben we het liedje ' Don't worry, be happy', hoe cliché ook, aangeleerd. Eerst vonden ze het maar niks, maar toen we ze eenmaal aan het zingen waren vonden ze het toch super leuk!
Gisteren zouden we een tweedelige les geven. Het eerste gedeelte heeft Romy voor haar rekening genomen en was een luisterles. In het tweede gedeelte heb ik min of meer de leiding genomen over de instrumentale begeleiding die wij aan de klas zouden leren. Romy heeft me natuurlijk wel heel goed geholpen en dat was heeeeeel fijn, want alleen had ik het denk ik niet gered!
Maar nu komt het: we hadden die leuke partijtjes (piano, bas, klokkenspel, xylofoon) allemaal mooi uitgewerkt met Sibelius. Het zag er echt super strak uit. Wij natuurlijk helemaal trots en volgens ons was het ook nog best wel speelbaar. Wij dachten: dat gaan we wel even aanleren. De kinderen dachten: wij kunnen nog niet zo goed noten lezen. Wij voelden paniek. De kinderen waarschijnlijk ook...Ik stond een beetje met mijn mond vol tanden, die kinderen met hun mond vol vragen...
Toen hebben we ter plekke overal op elk papiertje de notennamen bij staan schrijven. Halve les natuurlijk in het water gevallen. Maar goed, uiteindelijk zijn ze toch aan die partijen begonnen. Ze konden het voor zichzelf allemaal best wel goed uitzoeken en ze waren ook super braaf!

Na de les zegt onze stagementor: "Dat was een les vol met klassieke fouten". En ja, zo voelde ik me ook echt, totaal niet voldaan, hoewel ik eerst dacht dat het wel aardig ging. Verdere commentaar van de mentor: "Dit speelstuk had ik in een les kunnen aanleren". Dan denk je...ja, hoe dan? Nu gaat hij dus onze les van gisteren over twee weken aan een andere klas geven, zodat wij kunnen kijken hoe het dus ook kan! Dat is dus superfijn!
Maar een tip aan iedereen die een brugklas heeft: schrijf de notennamen alsjeblieft onder de partij, want het scheelt een heleboel uitleg en het scheelt ook een heleboel aan je mouw hangende brugklassers...

Nu nog een vraag:
Wat is het goede moment om verschillende partijen samen te laten spelen? Hoe lang moet ik ze laten oefenen en wat zou een goede opbouw zijn om steeds een partij erbij te laten komen?

Hopelijk kan ik wat feedback krijgen, zodat het de volgende keer misschien iets minder in de soep loopt! :D

Liefs,
Marleen

maandag 8 februari 2010

Terug naar de onderbouw...

Nou ja, binnenkort dan! Het is namelijk de bedoeling dat de volgende stage plaats gaat vinden in de onderbouw van het voortgezet onderwijs. Spannend, dat is het zeker! Het doet me heel erg terug denken aan de tijd ( een jaar of 8 geleden alweer!) dat ik zelf in de brugklas zat. Nu wil ik jullie niet gaan vervelen met eindeloos gezever over hoe ik het heb gehad tijdens mijn eigen middelbare-schooltijd, want dat is iets dat ik zelf niet meer helemaal wil oprakelen omdat het gewoon niet mijn leukste tijd was. In plaats daarvan wil ik jullie wel alles vertellen over de leukste en de slechtste, belabberdste en saaiste docenten die ik heb gehad. Uiteraard wil ik me straks aan die leuke, goede docenten spiegelen en niet aan die slechte! :P Helaas stammen die docenten dus niet uit de onderbouw, omdat ik dat een beetje heb verdrongen en niet meer precies weet welke docenten ik allemaal heb gehad. Dat is op zich jammer, omdat dat de bouw is waar we dadelijk mee geconfronteerd gaan worden, maar misschien is dat juist wel heel erg goed voor me. Goed, ik dwaal al weer af. Ik wilde iets gaan zeggen over die docenten.

Ik weet nog dat ik in havo4 kwam en dat ik eindelijk mezelf een heeeeeeeeeel klein beetje durfde te laten horen in de muziekles. Ik voelde me misschien iets meer op mijn gemak, omdat iedereen in de bovenbouw het ettertjesgedrag een beetje achter zich laat. Op zich was de inhoud van de muziekles niet echt heel interessant voor mij, omdat ik alles al op de muziekschool had geleerd, maar het zingen vond ik altijd wel heel erg leuk. Toch heb ik in havo4 en havo5 best nog wel in een soort van bouwwerkje geleefd. Ik omschrijf het altijd maar als een soort muurtje dat ik om me heen had gebouwd en waar niet eens een deur in zat...

Anyway, toen ik mijn havo-diploma had gehaald in 2006 was ik zo blij dat ik van die mensen af was. Maar toch besloot ik om er nog twee jaar vwo achteraan te plakken. Ik wist toch nog niet wat ik wilde en was pas net 17 en bovendien voelde ik me echt niet goed genoeg om van muziek mijn beroep te maken. Daarnaast zaten op het vwo weer heel veel andere mensen en ik beschouwde dat als een soort van nieuwe start. Toen heb ik pas echt iets van me laten zien. Twee keer mee gedaan aan de schoolmusical en een aantal keer aan een artistiek festival dat ze elk jaar organiseerden. Die laatste twee jaar heb ik het toch best leuk gehad nog op de middelbare school. Toen had ik er zeven jaar gezeten en wilde ik ook echt wel weg! Haha!

Maar goed, in dat laatste jaar (vwo6) heb ik de leukste en de slechtste leraar gehad waar ik oorspronkelijk over wilde vertellen. Dit hele bericht begint al meer op mijn halve levensverhaal te lijken, maar ik zal proberen om het nu kort te houden.
De beste docent die ik had was mijn docent geschiedenis in vwo6. Ik had toen problemen met het profielwerkstuk, waarvan hij de begeleider was, en hij heeft mij en een vriendin toen ontzettend geholpen om het allemaal toch op tijd af te krijgen zodat we konden slagen voor ons vwo-diploma. Ook de lessen die hij gaf waren heel overzichtelijk en begrijpelijk. Als je tenminste weet dat geschiedenis nooit mijn beste vak is geweest en ik het heb afgesloten met een 7 vind ik dat een goede prestatie van zowel van mij als van die leraar! ;)
De slechtste docent die ik heb gehad, had ik ook in vwo6 en was de docent Engels. ENGELS! maar hij was nogal pro-amerika. Daar is op zich niks mis mee, maar Amerikaans en Engels verschillen nogal wat van elkaar en als je elke les naar The Simpsons moet kijken en je pas drie weken voor het eindexamen pas iets gaat aanleren, dan word je daar toch wel een klein beetje simpel van!...

Wow, het wordt echt mijn langste blog ooit denk ik, maar ik typ gewoon lekker door. Niet dat ik daar veel tijd voor heb, want ik moet nog een canon instuderen, evenals een rap en een liedje van Michael Jackson, waarna ik nog kerktoonladders moet bestuderen voor Algemene Muziekleer en mijn pianohuiswerk nog moet doen. Maar goed, ik zal nog eventjes mijn top van do's en don'ts neerzetten. Het is namelijk wel de bedoeling dat ik straks voor die havo2 klas sta waar ik zelf o zo'n leuke herinneringen aan heb, en dat ze wel gaan zingen als ik dat wil. Dus heb ik wat dingen op een rijtje gezet die ik dan wel, en ZEKER NIET moet doen.

Hoe krijg je een klas aan het zingen?

Do's:
  • Zorg dat iedereen zich op zijn gemak voelt in de klas.
  • Zorg dat je zelf aardig kunt zingen en begeleiden.
  • Positief commentaar geven.
  • Enthousiasme/passie uitstralen.
Don'ts:
  • Niet voorbereid zijn.
  • Geen enthousiasme uitstralen.
  • Te veel praten.
  • Over je heen laten lopen.
Bovenstaande punten noem ik omdat ik die zelf het belangrijkst vind van allemaal als ik terug denk aan mijn onderbouw tijd. Vooral de laatste, over je heen laten lopen, is iets dat mij altijd en bijna elke dag gebeurde in de onderbouw. Als docent wil ik zorgen dat dat bij mij niet meer gebeurt en dat ik het ook niet binnen de klas zie gebeuren. Ik begin zo langzamerhand te merken dat mijn muurtje steeds lager wordt en dat er een deurtje in zit die op een kier staat en misschien, tegen de tijd dat ik ben afgestudeerd, dan wel wagenwijd openstaat.

Zie jullie morgen weer!
Liefs,
Marleen.